Hoofdstuk 2 Moet je nou eens kijken!
deel 6
Simon en Dora waren nog piepjong toen ze in 1949 trouwden. Zij was pas twintig en hij drie en twintig. Toch hadden ze al vijf jaar oorlog meegemaakt, ondergedoken gezeten om de arbeidsplicht te ontvluchten (Simon) en verzetskrantjes rondgebracht en voedsel gehaald bij de boeren op een fiets zonder banden (Dora). Verder hadden ze nog niet veel van de wereld gezien. In die tijd gingen de mensen bijna nooit op vakantie en televisie was er niet. 's Avonds deden ze spelletjes, lazen ze een boek of de krant en praatten ze met elkaar. Of ze luisterden naar hoorspelen op de radio. Het leven was eenvoudig. De mensen werden nog niet bedolven onder gruwelijke beelden van hongersnoden, natuurrampen en nooit eindigende oorlogen. Die waren er toen ook wel, maar de berichtgeving erover ging alleen via kranten en de radio en dat was lang niet zo indringend als de flitsende, gekleurde televisiebeelden uit latere jaren.
Ze trouwden met elkaar op het stadhuis zonder familie of vrienden en ze waren zo alledaags gekleed dat een ambtenaar in het stadhuis zei:
'U moet even wachten, het bruidspaar is er nog niet.'
'Maar wij zíjn het bruidspaar,' had Simon tegen de verbouwereerde ambtenaar gezegd. Die man had nog nooit zoiets bij de hand gehad.
Na afloop van de trouwplechtigheid, die hen geen van beiden veel had gedaan, reden ze samen op de fiets naar hun woning aan de Nieuwe Haven.
De achterkamer waar ze zouden gaan wonen, hadden ze die week al helemaal ingericht. Met hun eigen spulletjes en de dingen die al in de kamer stonden voordat ze erin trokken. Er lag een lichtbruine kokosmat over de gehele oppervlakte van de kamer. Er stonden rotanstoelen en een ligstoel die, heel modern, alleen uit twee zwarte, metalen buizen bestond met daaroverheen een stevige, donkergrijze, katoenen lap stof. Simon had zelf een houten boekenkastje gemaakt met twee deurtjes erin. Ze hadden een witte eettafel met witte stoelen, een zwarte potkachel waarin kolen werden gestookt, en lange, blauwfluwelen gordijnen. Er waren boeken en planten, er was een radiootje en ze hadden allerlei tekeningen en schilderijen opgehangen die Simon had gemaakt. Het was er warm en behaaglijk.
Dora vond het heerlijk dat ze nu een eigen huis had waarin ze kon doen en laten wat ze zelf wilde. Ze had altijd bij haar oude vader gewoond. Haar moeder was al overleden toen ze negen jaar was. Ze hield veel van haar vader, maar hij was nogal somber, waardoor het altijd een beetje beklemmend was om thuis te zijn.
Nu had ze daar geen last meer van. Simon was precies de man van haar dromen. Hij was knap, speelde prachtig piano en hij was een kunstenaar. Hij schilderde en tekende al vanaf zijn tiende landschappen in de omgeving van Dordrecht en goed gelijkende portretten. Hij sprak haar gevoel voor romantiek aan.
Zijzelf hield van Franse chansons en musea. Het was eigenlijk wonderlijk dat ze zo graag een gezin wilde beginnen met Simon. Veel tijd om naar musea te gaan, had je dan niet meer. Misschien realiseerde ze zich dat nog niet zo goed. Of was haar biologische drang om kinderen te krijgen gewoon het sterkst, iets waarvoor al het andere moest wijken? Blijkbaar wel, want ze zou in de loop van de komende elf jaar vier kinderen baren, twee jongens en twee meisjes.
Een roman over een verstandelijk gehandicapte jongen en zijn familie in de 50-er jaren.
donderdag 4 juni 2015
woensdag 3 juni 2015
Hoofdstuk 2 Moet je nou eens kijken!
deel 5
(waarin Dora voor het eerst met Igor in de wandelwagen naar buiten gaat)
Ze liep door de Vleeshouwerstraat en ging naar de Spar, de kruidenierswinkel met het motto: Kopen bij de Spar is sparen bij de koop. Ze had lucifers en een stuk zeep nodig.
deel 5
(waarin Dora voor het eerst met Igor in de wandelwagen naar buiten gaat)
Ze liep door de Vleeshouwerstraat en ging naar de Spar, de kruidenierswinkel met het motto: Kopen bij de Spar is sparen bij de koop. Ze had lucifers en een stuk zeep nodig.
De kruidenier begroette haar vriendelijk toen ze zijn winkel binnenkwam met de kinderwagen voor zich uit.
'Ah, mevrouw Florian,' zei de man terwijl hij zijn bril poetste. 'Is alles naar wens gegaan? En wat is het geworden?'
'Een jongen. Hij was heel ziek, bijna dood, maar hij heeft het gehaald, godzijdank.'
'Dat moet een zware tijd voor u zijn geweest, mevrouw. Kan ik iets voor u betekenen?'
'Ja, ik wou graag een pak lucifers en een stuk zeep.'
'Komt voor mekaar, mevrouw. Kijkt u eens aan, zwaluwen en zonlicht, wat wil een mens nog meer...'
Hij bedoelde de luciferdoosjes met de zwaluwen erop en de 'Sunlight'-zeep waarmee iedereen zich waste. Later werd dat Palmolive.
Dora rekende af en ging de straat weer op. De kruidenier hield de deur voor haar open, terwijl hij nog even in de kinderwagen keek. Igor was nog steeds diep in slaap. Dora benijdde hem een beetje. Zijn rust was onverstoorbaar.
'Wat een lief kind,' zei de kruidenier. 'Heerlijk om zo rustig door alles heen te kunnen slapen. Is alles nou goed met hem? Hij heeft een flink hoofd hè?'
'Ja, nu gaat het wel goed,' antwoordde Dora een beetje korzelig. 'Zoveel kinderen hebben grote hoofden, dat trekt wel bij als hij wat ouder wordt.'
'Tuurlijk mevrouwtje, u heeft helemaal gelijk,' zei de kruidenier meteen. 'Ik heb er ook niet zoveel verstand van, natuurlijk. Tot ziens, mevrouw Florian.'
De kruidenier en zijn vrouw waren altijd kinderloos gebleven, tot hun grote spijt.
'Tot ziens, meneer de Leeuw,' zei Dora, want zo heette de kruidenier.
De deurbel rinkelde en Dora stond weer in de frisse buitenlucht waar de zon nog steeds lekker scheen. Ze ademde diep in. Iedereen had wat op Igor aan te merken. Ze werd er doodmoe van en besloot terug naar huis te gaan. Vanmiddag kon ze wel wat groente halen. Ze had geen zin om nog meer boodschappen te doen. Dus liep ze terug door de Vleeshouwerstraat richting Lange IJzeren Brug en genoot weer van het rimpelende water dat daar onderdoor liep.
Als je dat water volgde naar rechts, kwam je bij het Groothoofd uit, de plek van Dordrecht waar drie grote rivieren samen kwamen, de Noord, de Maas en de Merwede. Je had een fantastisch uitzicht op uitgestrekt water, voorbijvarende schepen en enorme stukken blauwe of grijze luchten met langswaaiende wolken.
Het weidse van die plek gaf de toeschouwer een avontuurlijk, grenzeloos gevoel. Je kreeg zin om de wereld te veroveren als je daar stond. Om je koffers te pakken. Om te gaan varen.
Dat had Simon, de man van Dora, misschien ook gevoeld tijdens zijn vele wandelingen over het Groothoofd waar hij vlakbij geboren was. Hij had zeeman willen worden, maar was niet aangenomen omdat hij een bril droeg. Een weinig 'weidse' reden die hem in één klap middenin de alledaagse werkelijkheid had doen belanden, met bril en al.
Maar om water te zien hoefden Simon en Dora niet speciaal helemaal naar het Groothoofd te lopen. Het water van de Nieuwe Haven bevond zich enkele meters van hun huis vandaan. Alleen de straat zat ertussen. Het was weliswaar geen wild stromend rivierwater, maar rustig, kabbelend binnenhavenwater had ook wel wat, vond Dora.
Ze duwde de kinderwagen voor zich uit en was blij dat ze hun huis weer zag. Het was een statig, wit huis met drie verdiepingen, brede, hoge ramen omlijst door chique, houten raamkozijnen, en er was een hoge, smalle voordeur met een koperen deurknop.
Je zou denken dat Simon en Dora geld hadden om zo mooi te wonen. Het grachtenpand was echter aan Simon's moeder te danken. Die had na de dood van haar man, die een limonadefabriek runde, met hulp van een aantal notabelen in Dordrecht het huis kunnen kopen om er een pension in te gaan runnen. Ze moest 5 kinderen onderhouden in haar eentje. En dat was haar dankzij het pension goed gelukt. De kinderen groeiden op met altijd gasten aan tafel. Nu waren er al 3 dochters het huis uit. Overgebleven waren de 2 broers Pieter en Simon, die allebei met hun vrouw op de begane grond woonden. Op de eerste verdieping werd geslapen en waren er kamers voor hun kinderen. Hun moeder Josefien woonde op de zolderverdieping met balkon.
Als je de voordeur opende, kwam je in een lange, hoge gang.
'Ik ben weer thuis,' riep Dora naar boven, en Josefien riep: 'Das goed, meisje!'
Ze is vast aan het borduren, dacht Dora. Dat was één van haar hobbies.
Ze liep door de gang naar de achterkamer waar ze haar jas uitdeed en Igor voorzichtig uit de wandelwagen haalde. Hij sloeg z'n oogjes open. Z'n halfdichte Chinezen-oogjes die maar niet verder open wilden gaan. Dora gaf hem een kusje op z'n voorhoofd en zei:
'Hallo lieverd, daar zijn we weer. We waren buiten, maar daar heb je niet veel van gemerkt. Je hebt de hele tijd lekker geslapen.'
Igor kreunde even en trappelde met z'n beentjes, terwijl Dora hem op haar arm hield.
'Wat zullen we met jou doen? Zullen we je nog even in je bedje leggen?'
Igor zwaaide met z'n armpjes en lachte lief naar z'n moeder. Dat leek Dora een teken dat hij nog wel naar bed wilde.
Ze liep de steile trap op naar boven en legde Igor in zijn bedje. Hij sliep snel weer in. Ongelofelijk hoeveel die babies kunnen slapen, dacht ze.
Ze liep zachtjes de kamer uit en trok de deur van Igor's kamertje achter zich dicht om naar beneden te gaan.
'Is alles goed gegaan?' riep Josefien van boven.
'Ja hoor, ik heb hem net in bed gestopt, hij slaapt heel veel', antwoordde Dora op de overloop.
'Ik ga zo thee zetten, kom je ook even?'
'Ja, dat is goed, tot zo,' galmde Josefien en daar ging Dora de steile trap af. Je moest altijd heel goed uitkijken waar je liep op die trap. Voordat je het wist, struikelde je en viel je naar beneden. En in de gang kon je een flinke smak maken op die koude, harde tegels. Dat was haar al verschillende malen overkomen. Maar nu ging alles goed. Ze liep snel naar de keuken en zette water op voor thee.
De deurbel rinkelde en Dora stond weer in de frisse buitenlucht waar de zon nog steeds lekker scheen. Ze ademde diep in. Iedereen had wat op Igor aan te merken. Ze werd er doodmoe van en besloot terug naar huis te gaan. Vanmiddag kon ze wel wat groente halen. Ze had geen zin om nog meer boodschappen te doen. Dus liep ze terug door de Vleeshouwerstraat richting Lange IJzeren Brug en genoot weer van het rimpelende water dat daar onderdoor liep.
Als je dat water volgde naar rechts, kwam je bij het Groothoofd uit, de plek van Dordrecht waar drie grote rivieren samen kwamen, de Noord, de Maas en de Merwede. Je had een fantastisch uitzicht op uitgestrekt water, voorbijvarende schepen en enorme stukken blauwe of grijze luchten met langswaaiende wolken.
Het weidse van die plek gaf de toeschouwer een avontuurlijk, grenzeloos gevoel. Je kreeg zin om de wereld te veroveren als je daar stond. Om je koffers te pakken. Om te gaan varen.
Dat had Simon, de man van Dora, misschien ook gevoeld tijdens zijn vele wandelingen over het Groothoofd waar hij vlakbij geboren was. Hij had zeeman willen worden, maar was niet aangenomen omdat hij een bril droeg. Een weinig 'weidse' reden die hem in één klap middenin de alledaagse werkelijkheid had doen belanden, met bril en al.
Maar om water te zien hoefden Simon en Dora niet speciaal helemaal naar het Groothoofd te lopen. Het water van de Nieuwe Haven bevond zich enkele meters van hun huis vandaan. Alleen de straat zat ertussen. Het was weliswaar geen wild stromend rivierwater, maar rustig, kabbelend binnenhavenwater had ook wel wat, vond Dora.
Ze duwde de kinderwagen voor zich uit en was blij dat ze hun huis weer zag. Het was een statig, wit huis met drie verdiepingen, brede, hoge ramen omlijst door chique, houten raamkozijnen, en er was een hoge, smalle voordeur met een koperen deurknop.
Je zou denken dat Simon en Dora geld hadden om zo mooi te wonen. Het grachtenpand was echter aan Simon's moeder te danken. Die had na de dood van haar man, die een limonadefabriek runde, met hulp van een aantal notabelen in Dordrecht het huis kunnen kopen om er een pension in te gaan runnen. Ze moest 5 kinderen onderhouden in haar eentje. En dat was haar dankzij het pension goed gelukt. De kinderen groeiden op met altijd gasten aan tafel. Nu waren er al 3 dochters het huis uit. Overgebleven waren de 2 broers Pieter en Simon, die allebei met hun vrouw op de begane grond woonden. Op de eerste verdieping werd geslapen en waren er kamers voor hun kinderen. Hun moeder Josefien woonde op de zolderverdieping met balkon.
Als je de voordeur opende, kwam je in een lange, hoge gang.
'Ik ben weer thuis,' riep Dora naar boven, en Josefien riep: 'Das goed, meisje!'
Ze is vast aan het borduren, dacht Dora. Dat was één van haar hobbies.
Ze liep door de gang naar de achterkamer waar ze haar jas uitdeed en Igor voorzichtig uit de wandelwagen haalde. Hij sloeg z'n oogjes open. Z'n halfdichte Chinezen-oogjes die maar niet verder open wilden gaan. Dora gaf hem een kusje op z'n voorhoofd en zei:
'Hallo lieverd, daar zijn we weer. We waren buiten, maar daar heb je niet veel van gemerkt. Je hebt de hele tijd lekker geslapen.'
Igor kreunde even en trappelde met z'n beentjes, terwijl Dora hem op haar arm hield.
'Wat zullen we met jou doen? Zullen we je nog even in je bedje leggen?'
Igor zwaaide met z'n armpjes en lachte lief naar z'n moeder. Dat leek Dora een teken dat hij nog wel naar bed wilde.
Ze liep de steile trap op naar boven en legde Igor in zijn bedje. Hij sliep snel weer in. Ongelofelijk hoeveel die babies kunnen slapen, dacht ze.
Ze liep zachtjes de kamer uit en trok de deur van Igor's kamertje achter zich dicht om naar beneden te gaan.
'Is alles goed gegaan?' riep Josefien van boven.
'Ja hoor, ik heb hem net in bed gestopt, hij slaapt heel veel', antwoordde Dora op de overloop.
'Ik ga zo thee zetten, kom je ook even?'
'Ja, dat is goed, tot zo,' galmde Josefien en daar ging Dora de steile trap af. Je moest altijd heel goed uitkijken waar je liep op die trap. Voordat je het wist, struikelde je en viel je naar beneden. En in de gang kon je een flinke smak maken op die koude, harde tegels. Dat was haar al verschillende malen overkomen. Maar nu ging alles goed. Ze liep snel naar de keuken en zette water op voor thee.
Abonneren op:
Reacties (Atom)