zondag 17 mei 2015

Hoofdstuk 2 Moet je nou eens kijken!
deel 4

'Moet je nou eens kijken!' riep een mevrouw op straat naar een andere mevrouw. Ze staarden zonder enige schaamte in een kinderwagen, waarin een klein kindje onder een wollen dekentje lag. De oogjes zaten nog halfdicht, het had opvallend grote oren en een groot, eivormig hoofd met hele dunne, lichtblonde haartjes erop. De vrouwen keken elkaar hoofdschuddend aan, zonder acht te slaan op de persoon die achter de kinderwagen liep. Dat was Dora Florian, die niet goed wist waar ze kijken moest bij zoveel ongevraagde belangstelling. Het was de eerste keer dat ze buiten wandelde met haar pasgeboren zoontje Igor.
Ze keek naar de vrouwen met een half verontschuldigende, half beschuldigende blik, maar durfde niets tegen ze te zeggen, ook al voelde ze zich aangevallen. Die vrouwen deden dat niet met opzet. Die wisten gewoon niet beter. Die hadden helemaal niet in de gaten hoe diep ze Dora kwetsten met hun opmerkingen en hun gestaar. Ze wierpen haar een paar medelijdende blikken toe en liepen daarna gezellig gearmd en druk met elkaar kletsend door, zonder verder nog iets tegen haar te zeggen.
Dora liep ook door. Het was een zonnige dag. Opgewekt was ze naar buiten gegaan, vol nieuwe energie na de bevalling van Igor en de moeilijke tijd daarna, toen Igor op het randje van de dood balanceerde. Wekenlang was hij ziek geweest. Niemand dacht dat hij het zou halen, maar hij was blijven leven en Dora was daar heel dankbaar voor. Dat kon niemand van haar af nemen.
'Waar bemoeit u zich mee!' had ze tegen die vrouwen moeten zeggen. 'Hoepel op en laat ons met rust!'
Het was toch haar kindje? Maar ze durfde nooit iets terug te zeggen. Dat was vroeger al zo, op school, als ze geplaagd werd. Gekke Dora, gekke Dora... Ze hoorde het gejouw van de kinderen nog in haar hoofd.
Ze duwde de kinderwagen voor zich uit, de Lange IJzeren Brug op. Het water van de Nieuwe Haven glinsterde schitterend in de warme ochtendzon. De vele kleurige bootjes lagen te dobberen in het water. Ze hield ervan daarnaar te kijken. Het was zo rustgevend en zo mooi. De brug ging steil omhoog en daarna meteen weer omlaag. Ze moest de kinderwagen goed vasthouden, om niet op een holletje naar beneden te glijden. Gek gezicht zou dat zijn. Ze moest even glimlachen bij die gedachte. Igor bleef diep in slaap verzonken.
Slaap jij maar, lieve schat, rust maar lekker uit van alles, mamma zorgt wel voor je, dacht Dora vertederd. Igor was haar eerste kindje en ze was er zo blij mee als iemand maar kon zijn.


dinsdag 12 mei 2015

Hoofdstuk 1 Igor 
deel 3

Er reden een heleboel andere auto's op de weg. Soms zag ik net zo'n auto als die van ons. Dan tikte ik pappa en mamma op hun schouder en wees ik juichend op het autootje dat ons net passeerde. Zij knikten dan en zeiden dat het inderdaad dezelfde auto was en dat het heel goed van mij was dat ik dat gezien had. Zo geweldig was dat natuurlijk niet van mij, maar het was mijn enige manier om af en toe wat contact te maken. Je gaat je al gauw een beetje vreemd gedragen, als je niet kunt praten. Ik vind het zelf helemaal niet leuk dat er altijd zo'n sirene-achtig geloei uit mijn mond komt, maar ik kan er niets aan doen. Mijn volume staat gewoon zo afgesteld.

We reden nog wat autowegen over, er kwam geen eind aan. De auto ging uiteindelijk langzamer rijden bij het naderen van een bord aan de rechterkant van de weg.
'Dit was het toch, hè?' vroeg pappa aan mamma.
'Ja,' zei ze. 'Hier is het.'
Wat 'hier' was, wist ik niet, maar ik werd een beetje ongerust toen we langzaam een bocht naar rechts maakten. We reden heel langzaam verder. Links en rechts stonden woonhuizen en daar tussen was veel groen. Af en toe passeerden we groepjes jongens en meisjes die zomaar midden op de weg liepen. Dat zag je in de stad nooit. Was veel te gevaarlijk met al die auto's. Wat was dit voor plaats? Sommige kinderen liepen zomaar recht op onze auto af en zwaaiden dan vrolijk naar ons. Daarom reden ze zo langzaam, zei mamma.
'Stapvoets', zei ze.
Een jongen vertelde pappa door het open raampje precies hoe hij moest rijden.
'Leuk autootje hebt u, zeg!' zei hij ook nog.
Ik vond hem wel een beetje brutaal, maar ik was ook jaloers op hem, omdat hij gewoon kon praten tegen pappa. En pappa lachte zo aardig naar hem. We stopten bij een huis met twee verdiepingen waarop met grote letters 'M-E-R-E-L' stond. Ik kon de letters lezen, maar wist niet wat ze betekenden. We stapten uit de auto. Pappa belde aan. Een onbekende mevrouw deed open. Ze schudde handen met pappa en mamma en zei dat ze 'Lia' heette. Ze gaf mij ook een hand en vroeg hoe ik heette.
'Euh', zei ik terug en ze lachte vriendelijk naar me.
'Jij heet Igor, hè?' vroeg ze aan me.
Ik knikte stom. Wat moest ik anders doen? Maar hoe wist ze dat eigenlijk?
We liepen naar binnen en kwamen in een soort woonkamer met een heleboel tafels en stoelen. Daarin zaten allerlei jongens niets te doen. Eén jongen had haast geen armen of benen. Een andere jongen maakte de hele tijd schokkende bewegingen met zijn mond en zijn handen. Er liepen ook jongens heen en weer, steeds langs dezelfde weg, net als de leeuwen en de tijgers in de dierentuin. Eén jongen pakte Laura's handje vast en gaf er een kusje op. Dat vond ik heel lief van hem. Laura is zo lief...
We gingen zitten. Pappa en mamma zaten te praten met 'Lia' en nog een vreemde mevrouw. Toen mamma opstond, ging ik ook meteen staan om mee te gaan. Ik wilde wel weg daar. Maar mamma zei dat ik moest blijven. Ik begreep het niet. Blijven? Hier? Tussen al die vreemde jongens  
en mevrouwen die ik niet kende? Niet mee terug naar huis?
De mevrouwen kwamen naar me toe met kleurpotloden en boekjes. Mamma liep naar pappa die zijn armen om haar heen sloeg. Ik liep naar ze toe en hield mamma's benen vast. Ze mocht niet weggaan en mij hier achterlaten. Mamma streelde mijn haar en glimlachte naar me.
'Pappa en mamma gaan nu naar huis, maar we komen je gauw weer halen, hoor. Zal je lief zijn voor deze aardige mevrouwen?'
Ik knikte van ja. Wat moest ik anders?
Mamma omhelsde me met veel tranen die uit haar ogen gleden. Pappa aaide me over mijn hoofd en zei:
'Tot ziens, lieve jongen.'
Laura en Paula keken me alleen met grote ogen aan. Ze snapten er niks van, net als ik. Opeens waren ze alle vier weg en namen de mevrouwen me mee naar de voordeur.
Daar zag ik nog net de lelijke eend een bocht maken en wegrijden. Ze zwaaiden naar mij. Pappa toeterde nog en toen was het voorbij. Ik moest erg huilen. Mijn leven zag er opeens zwart en leeg uit. De vriendelijke mevrouwen snoten mijn neus en gaven me in de keuken een glaasje limonade. 
Zo begon mijn eerste dag in de inrichting.






zaterdag 9 mei 2015

Hoofdstuk 1 Igor
deel 2

Kinderen deden dat ook, maar die kon ik het niet kwalijk nemen. Die wisten niet beter. Maar die grote mensen hadden toch kunnen weten hoe kwetsend het voor iemand is om zo bekeken te worden.
Hier in de inrichting heb ik daar gelukkig nooit last van. Hier heeft iedereen zijn eigen afwijkingen en wordt er niet zo op je gelet. Wat dat betreft is het veel beter voor mij om hier te wonen. Maar toen ik uit huis moest, vond ik het afschuwelijk. Ik voelde me helemaal verstoten door mamma, pappa, Laura en Paula, mijn twee kleine zusjes. Ik hield heel veel van hen en zij ook van mij. Daarom snapte ik niet dat ik weg moest.
Ik zat op school en leerde daar schrijven en lezen. Ik schreef hele schriften vol met letters. Een hele bladzij met de a, een heel blad vol met b's en zo ging ik alle letters af. Ik vond het leuk om ze zo goed mogelijk na te tekenen. Ik hield van tekenen. Of ik ooit echt had leren lezen, weet ik niet, want opeens ging ik van school af. Ik kon alleen nog maar kleine woordjes lezen.
Ik was al een paar keer thuisgebracht door een aardige politieagent in een snelle auto, toen ik er weer op de step vandoor was gegaan. En ik was een keer aangereden door een motor, toen ik zonder te kijken de straat waarin ik woonde, was overgestoken. Dat moet je nooit doen natuurlijk. 
Ik had een dikke enkel met een akelige wond waar allemaal bloed uit kwam. Het deed veel pijn. Mamma was erg geschrokken, zag ik. Ze keek heel bezorgd. Ik wilde haar troosten, maar ze ging opeens gillen en schreeuwen. Niet naar mij, maar naar het plafond van onze huiskamer. Ik werd er bang van. Wat moest ik doen? Er was verder niemand die kon helpen. Ik bleef dus maar zo stil mogelijk op de bank zitten. Ik kon trouwens niet eens op die voet staan. Mamma  hield langzamerhand op met gillen en zei tegen me dat ze verband ging pakken. Ze wikkelde mijn voet helemaal in mooi wit verbandgaas. Ik was er heel trots op. Moest er steeds naar kijken. Het deed nog pijn, maar dat was wel uit te houden.
Ik kon een paar dagen niet naar school. Erg vond ik dat niet. Ik vond het heerlijk om thuis bij mamma te zijn. Het liefst hielp ik haar met het huishouden, maar nu moest ik stil blijven zitten met mijn voet. Moeilijk vond ik dat. Ik kreeg van mamma een stapel tijdschriften en een schaar. Dan kon ik leuke plaatjes uitknippen. Van auto's bijvoorbeeld. Pappa, mijn vader, had net een auto gekocht in die tijd. Die noemden ze een lelijke eend, maar wij vonden hem allemaal juist heel mooi. Foto's van baby's en kleine kinderen knipte ik ook uit. Ik was gek op mijn kleine zusjes Laura en Paula. Ik hield ook van strijkplanken, fornuizen en fluitketels, ik hield van alles wat met het huishouden te maken had en met eten en drinken. Dat doe ik nu nog. Ik heb er alleen nu veel meer handigheid in gekregen. Toen ik klein was, liet ik vaak iets kapot vallen als ik mamma hielp met afdrogen. Nu doe ik alles veel rustiger. Ik ben ten slotte al vijf en veertig!
Toen mijn voet beter was en ik er weer op mocht staan en mee kon lopen, ging ik nog een poosje naar school, maar op een dag gingen we in de eend rijden. Pappa, mamma, Laura, Paula en ik. Het werd een lange tocht. Eerst reden we de stad uit, door lange straten vol huizen met rode daken en kleine voortuintjes. Daarna kwamen we op een eentonige weg met grijze huizen aan beide kanten die er allemaal hetzelfde uitzagen, met grijze daken, grijze stenen, grijze deuren en grijze ramen. Mamma zei dat daarin militairen met hun gezinnen woonden. Laura zei dat het wel gevangenissen leken. Ik had medelijden met de mensen in die huizen. De weilanden erna waren heel wat mooier om naar te kijken.

vrijdag 8 mei 2015

Moet je nou eens kijken!

In augustus 1995 legde ik de laatste hand aan een korte roman over mijn broer Rogier. 112 pagina's telt het manuscript, wat ik toen nog op een kleine Apple Classic computer uittypte. Ik liet het aan mijn familie en naaste vrienden lezen en ook aan Rogier's verzorgers. De reacties waren positief. Er waren zelfs mensen bij die het ontroerend vonden. Ook stuurde ik het naar een uitgeverij, welke weet ik niet meer, maar na een eerste afwijzing had ik niet de moed om door te gaan met versturen.
Ik heb het onlangs weer gelezen en kreeg het idee om het hier op internet te zetten door middel van een blog. Op die manier kunnen meer mensen het lezen en kan ik het herschrijven waar ik dat nodig vind.

Moet je nou eens kijken!

Voor Rogier


 
Hoofdstuk 1 Igor 

deel 1

Ik heb nooit kunnen praten en dat zal ik ook nooit kunnen. Voor een mens is dat heel vreemd, want de meeste mensen kunnen wel praten. Dat zie ik dagelijks om mij heen. Waarom ik het niet kan, weet ik niet precies. Ik heb wel eens iemand horen zeggen dat ik een hersenbeschadiging heb, maar dat zegt me niet zoveel.

Ik kan ook niet lezen en schrijven. Ik heb er wel les in gehad, maar ik kan niet zo lang met hetzelfde bezig zijn. De enige manier waarop ik iets kan vertellen, is door geluiden te maken, dingen aan te wijzen en mensen aan te raken als ik ze lief vind. De geluiden die ik maak, klinken vaak heel hard, een beetje zoals een brandweersirene. Dat komt omdat ik meestal heel enthousiast ben als ik geluid maak. Mensen die mij nog niet kennen, schrikken daar in het begin van, maar ze wennen er gauw aan.
Niet iedereen snapt altijd wat ik wil zeggen. Dat is soms heel lastig. Ik heb wel gebarentaal geleerd, maar dat durf ik alleen als ik met mamma samen ben. Niet als er meer mensen bij zijn. Dan word ik verlegen. Ik vind het niet prettig als er naar me gekeken wordt. Ze lachen je hier zo uit, als je niet uitkijkt. Ze zijn echt niet allemaal even aardig hier, hoor!
De meeste jongens kunnen wel praten. Niet dat het altijd zo bijzonder is wat er uit hun mond komt! Ik denk vaak dat ik heel wat meer te vertellen zou hebben dan zij, als ik kon praten. Je hebt erbij, die zitten alleen maar onzin te kletsen. Of ze herhalen alles steeds maar weer. Gek word je er soms van. Met die praatjes hoef ik tenminste niet mee te doen. Dat is een voordeel als je niet kunt praten. En als ik ergens geen zin in heb, doe ik vaak alsof ik iets niet hoor of begrijp. Ook heel handig!
Ik ben nu vijf en veertig. Op mijn elfde ben ik door mijn ouders definitief naar een inrichting gebracht. aha werd te lastig om mij thuis te hebben. Ik liep vaak weg. Dan pakte ik de step van mijn kleine zusje en stepte ik de hele straat uit. Heerlijk vond ik dat. Het was een hele lange straat met overal huizen. Ik dacht er niet bij na dat mijn moeder ongerust zou worden. Ik stepte helemaal naar een straat waar gebouwd werd. Daar kon ik uren naar kijken. Er waren altijd mensen die vroegen waar ik woonde. Soms kreeg ik een snoepje van iemand. Het enige vervelende was dat er altijd mensen naar me stonden te staren, zonder iets te zeggen. Ze keken alleen maar, alsof ze zeggen wilden: 'Wat ben jij voor raar type!'
Als ze samen waren, stootten ze elkaar aan en begonnen ze te fluisteren. Ze dachten zeker dat ik ze niet in de gaten had, maar ik zie alles, ook al zitten mijn ogen half dicht, alsof ik een Chinees ben.