zondag 27 december 2015

Hoofdstuk 2 Moet je nou eens kijken!
deel 9

'Zit er bij jou Chinees bloed in de familie?' vroeg Dora aan haar man toen hij terugkwam van zijn werk.
'Nee, hoezo?' antwoordde Simon.
'Igor heeft vanmiddag zijn ogen opengedaan en hij lijkt net een Chineesje.'
'Wat? Zijn ogen open? En dat zeg je nu pas? Waar is hij? Dat wil ik meteen zien!'
'Hij slaapt, maar we kunnen wel even gaan kijken...' zei Dora stralend.
Simon omhelsde haar zo stevig als hij maar kon en ook al werd ze helemaal platgedrukt, Dora genoot ervan. Samen liepen ze de steile trap op naar boven, waar Igor een eigen kamertje had. Daar lag hij in diepe slaap verzonken. Het lichte op en neer gaan van het dekentje vertelde hen dat hij ademde. Hand in hand stonden Simon en Dora bijna ademloos naar hem te kijken. Ze durfden niets te zeggen om hem niet wakker te maken, maar tegelijkertijd wilden ze juist graag dat hij even wakker zou worden en naar hen zou kijken. En ja, na een paar spannende minuten voor zijn wieg gestaan te hebben, zagen ze eerst zijn oogbollen bewegen onder zijn oogleden. Daarna trilden zijn blonde wimpers even en sloeg hij zijn ogen op. Nu zag Simon het wonder ook. Igor keek naar zijn vader met lichtblauwe spleetoogjes.
'Dag jongen, dag lieve Igor!' zei zijn vader lachend. 'Heb je lekker gedroomd?'
'Zie je hoe Chinees zijn ogen lijken?' vroeg Dora aan haar man.
'Ze lijken wel wat op jouw ogen,' zei Simon.
'Maar ik heb geen Chinese ogen,' zei Dora.
'Nee, maar zijn ogen zijn ook niet echt Chinees. Ze gaan gewoon niet verder open.'
Igor bewoog wat met zijn armpjes en beentjes en het leek wel of hij glimlachte.
'Kijk, hij lacht naar ons!' zei Dora.
'Dag schat, pappa en mamma zijn heel blij dat je bij ons wilt blijven, hoor. Eerst wou je dat niet he? Je wou helemaal niet drinken en je was ijskoud...'
Igor maakte wat babygeluidjes en lachte toen voluit naar zijn ouders. Dora nam hem op haar arm en wiegde hem zachtjes wat op en neer. Hij bleef lachen. Ze moest zijn hoofd ondersteunen, anders rolde het zo naar achteren. Hij had een heel groot hoofd. Bijna eivormig was het. Ze hadden dat al eerder gezien, maar wilden er verder niet bij stil staan. Sommige kinderen hadden nou eenmaal grotere hoofden dan andere kinderen. Maar Igor's hoofd was uitzonderlijk groot. Zijn armpjes en beentjes leken trouwens ook wel langer dan normale baby-armpjes en -beentjes.
'Ik heb ook langere armen dan normaal,' zei Simon lachend. 'Kijk maar!'
Hij liet zijn armen langs zijn lichaam naar beneden vallen. Zijn handen kwamen halverwege zijn dijbenen. Ze waren inderdaad wat aan de lange kant, wat nog versterkt werd door zijn nogal korte benen.
'Ik ben de grote vaderaap!' riep hij uit en roffelde met zijn rechtervuist op zijn borst. Hij boog voorover en liep met een zwaaiende gang de kamer door, met zijn armen naar de grond.
Kleine Igor kraaide het uit van het lachen.
'Hoe is het met de grote moederaap en het kleine baby-aapje? Moeten die niet gaan slapen?' vroeg Simon met een diepe stem, terwijl hij met zijn hoofd tegen de billen van Dora duwde. Ze giechelde en probeerde hem weg te duwen, met Igor nog op haar arm.
'De grote moederaap gaat het baby-aapje nu weer in zijn bedje leggen,' zei ze. 'Want dat moet nog heel veel slapen.'
Igor kraaide zachtjes en liet zich gewillig in zijn wiegje leggen. Dora deed het dekentje over hem heen en hij sliep al.
Hand in hand liepen Simon en Dora zijn kamertje uit en sloten heel zachtjes de deur.   

vrijdag 25 december 2015

Hoofdstuk 2 Moet je nou eens kijken!
deel 8
Igor

Ik wilde eerst helemaal niet leven. Ik groeide in de baarmoeder, dat wel, maar toen ging alles vanzelf. Ik hoefde zelf niets te doen. Ik kreeg m'n natje en m'n droogje zogezegd, hoewel het er meer nat dan droog was. Het was in ieder geval heerlijk rustig daar. Ik hoorde allerlei waterige geluiden. Een beetje zoals je kunt horen als je je hoofd op iemands maag legt. Allerlei knor- en sisgeluidjes hoor je dan. Dan realiseer je je opeens hoeveel activiteiten er in je lichaam aan de gang zijn, zonder dat je er zelf iets aan hoeft te doen. Wat een wonder! Maar toen ik nog niet geboren was, wist ik daar niets van. Ik lag daar gewoon te liggen. Niemand die je vertelt dat je een ongeboren vrucht bent die straks bij een stel mensen in huis komt te wonen, hoor. Je moet alles zelf uitzoeken.

Dus toen ik opeens ruw uit mijn slaap gewekt werd door een heleboel beweging om me heen, schrok ik ontzettend. Ik was een rustig leventje gewend en nu leek het wel een orkaan die voorbij trok. Ik werd naar beneden getrokken en weer naar boven, naar links en naar rechts...
Ik werd bang, wat gebeurde hier? Ik wilde weer rustig dommelen en dromen van lieve engeltjes en stralend licht, maar het werd niet meer rustig. Het werd juist steeds onrustiger. Ik werd door elkaar geschud en het hield maar niet op. Na een hele tijd die wel een eeuwigheid leek, voelde ik me door een nauw kanaal glijden en opeens was het zo licht om me heen dat het pijn aan mijn ogen deed. Ik deed ze dus maar niet open.
Het was verschrikkelijk koud en ik hoorde allemaal stemmen om me heen. Ik vond het vreselijk en wilde weer gaan slapen. Er werd over me heen geveegd en er werd iets zachts tegen m'n mond aan geduwd.
'Drink maar, drink maar,' zei een zachte stem tegen me.
Ik wilde niets drinken. Ik wilde slapen. Verder niets. Ik kreeg het wel wat warmer. En de harde geluiden gingen weg. De zachte stem bleef en nog een andere, een beetje hardere stem kwam erbij. Soms was er ook een lage stem. Ik vond die stemmen wel prettig. Ze deden mijn oren geen pijn. Ook was het licht nu minder schel. Ik deed een keer mijn ogen open en zag een groot gezicht dat naar me glimlachte.
'Dag Igor, dag lieve Igor,' zei het gezicht.
Er gleed iets vochtigs over het gezicht. Het glinsterde en ik vond het heerlijk om naar die glinstering te kijken. Ik probeerde het te pakken met mijn handjes en voelde iets nats en warms.
Het gezicht glimlachte nog steeds naar me. Een heleboel warmte kwam in me en ik wilde m'n ogen voorlopig niet meer dicht doen. Ik leefde nu en zolang het gezicht bij me was, wilde ik graag leven.

Igor moest om de twee uur gevoed worden, dag en nacht. Doortje verzorgde en verschoonde hem als een volleerde moeder. Het was
wonderlijk hoe snel je zoiets leerde, vond ze. Na een paar weken was hij er wat beter aan toe, tot grote opluchting van Doortje en Simon en alle andere mensen die meeleefden, zoals Simon's moeder en andere familie en vrienden.
Op een dag zag Doortje opeens zijn oogjes opengaan. Ze had net afgewassen en ging even kijken hoe het met hem was. Terwijl ze haar gezicht over het wiegje boog, zag ze opeens zijn wimpertjes even trillen en daar gingen zijn oogjes open!
Ze voelde zo'n grote ontroering dat haar ogen zich spontaan vulden met tranen. Igor keek aandachtig naar haar gezicht en probeerde met zijn kleine knuistjes haar gezicht aan te raken. Ze werd helemaal doorstroomd met een warme gloed van vreugde om dit eerste, echte levensteken van dat kleine wezentje daar in die wieg met zijn langwerpige hoofdje. Hij keek echt naar haar! Met een soort Chinezen-oogjes. Van wie zou hij die hebben? In haar familie kwamen helemaal geen Chinezen voor... Zijzelf had geen grote ogen, maar toch ook geen Chinese. Misschien in de familie van Simon? Zijn vader had gevaren, zijn opa ook, dus het zou best kunnen dat er een keer wat Chinees bloed mee was gekomen richting Nederland.

donderdag 30 juli 2015

Hoofdstuk 2 Moet je nou eens kijken! 
deel 7

Na hun trouwen was ze al gauw zwanger. Igor werd in het ziekenhuis geboren na een bevalling die vierentwintig uur in beslag nam. Toen hij eindelijk kwam, bleek hij een vreemd, lang, eivormig hoofd te hebben en deed hij zijn ogen niet open. Het was helemaal niet zeker of hij zou blijven leven. Hij wilde niets drinken en had een veel te lage temperatuur.

De eerste dagen zaten Simon en Dora in grote angst om hun eerste kind. Hun huwelijk werd meteen al op de proef gesteld. Hoe zouden ze hiermee omgaan? Konden ze elkaar steun geven en troosten of was deze tegenslag zo groot dat ze geen aandacht meer voor elkaar konden opbrengen?
'Hij zal toch niet doodgaan?' vroeg Dora vertwijfeld aan haar man.
'Je weet het niet met deze dingen. Het kan opeens afgelopen zijn,' antwoordde Simon nadenkend. 'Het is niet zo best dat hij niet wil drinken.'
'Ja, dronk hij nou maar. Het is net alsof hij niet wil leven,' zei Dora. 'Waarom zou dat zijn? Het moet toch een reden hebben? Zou er iets fout zijn gegaan tijdens de zwangerschap?'
'Maar je hebt toch geen rare dingen gedaan?' zei Simon. 'Haal je nou maar niks in je hoofd. We moeten gewoon afwachten en er het beste van hopen.'
Hij nam Dora in zijn armen en streelde liefdevol haar krullende, bruine haren.
'Wat er ook gebeurt, we zijn in ieder geval samen en dat blijven we,' zei hij terwijl hij zachtjes over haar rug wreef.
Kleine Igor mocht na een paar dagen naar huis, maar veel beter ging het nog niet met hem. Een wijkzuster kwam hem verzorgen. Ze pakte Igor helemaal warm in en zei tegen Dora dat ze hem niet mocht baden. Hij kreeg drie kruiken en ze zette zijn wiegje met het voeteneind omhoog, zodat z'n beentjes omhoog lagen en het bloed naar z'n hoofdje kon stromen. Maar hij wou nog steeds niet drinken. Alle moedermelk van Dora bleef in haar borsten zitten, zodat ze het vreselijk benauwd kreeg en de melk afgekolfd moest worden. Dat werd erg pijnlijk op den duur. Ze voelde zich net een dikke, domme melkkoe, ook al vond ze koeien juist wel leuke dieren. Igor wilde haar melk nog steeds niet drinken. Dat was ook nogal pijnlijk. Net alsof hij haar afwees als moeder. Haar borsten moesten opgebonden worden, zodat er geen melk meer uitkwam. En Igor kreeg melk van de moedermelkcentrale.

donderdag 4 juni 2015

Hoofdstuk 2 Moet je nou eens kijken!
deel 6

Simon en Dora waren nog piepjong toen ze in 1949 trouwden. Zij was pas twintig en hij drie en twintig. Toch hadden ze al vijf jaar oorlog meegemaakt, ondergedoken gezeten om de arbeidsplicht te ontvluchten (Simon) en verzetskrantjes rondgebracht en voedsel gehaald bij de boeren op een fiets zonder banden (Dora). Verder hadden ze nog niet veel van de wereld gezien. In die tijd gingen de mensen bijna nooit op vakantie en televisie was er niet. 's Avonds deden ze spelletjes, lazen ze een boek of de krant en praatten ze met elkaar. Of ze luisterden naar hoorspelen op de radio. Het leven was eenvoudig. De mensen werden nog niet bedolven onder gruwelijke beelden van hongersnoden, natuurrampen en nooit eindigende oorlogen. Die waren er toen ook wel, maar de berichtgeving erover ging alleen via kranten en de radio en dat was lang niet zo indringend als de flitsende, gekleurde televisiebeelden uit latere jaren.

Ze trouwden met elkaar op het stadhuis zonder familie of vrienden en ze waren zo alledaags gekleed dat een ambtenaar in het stadhuis zei:
'U moet even wachten, het bruidspaar is er nog niet.'
'Maar wij zíjn het bruidspaar,' had Simon tegen de verbouwereerde ambtenaar gezegd. Die man had nog nooit zoiets bij de hand gehad.
Na afloop van de trouwplechtigheid, die hen geen van beiden veel had gedaan, reden ze samen op de fiets naar hun woning aan de Nieuwe Haven.
De achterkamer waar ze zouden gaan wonen, hadden ze die week al helemaal ingericht. Met hun eigen spulletjes en de dingen die al in de kamer stonden voordat ze erin trokken. Er lag een lichtbruine kokosmat over de gehele oppervlakte van de kamer. Er stonden rotanstoelen en een ligstoel die, heel modern, alleen uit twee zwarte, metalen buizen bestond met daaroverheen een stevige, donkergrijze, katoenen lap stof. Simon had zelf een houten boekenkastje gemaakt met twee deurtjes erin. Ze hadden een witte eettafel met witte stoelen, een zwarte potkachel waarin kolen werden gestookt, en lange, blauwfluwelen gordijnen. Er waren boeken en planten, er was een radiootje en ze hadden allerlei tekeningen en schilderijen opgehangen die Simon had gemaakt. Het was er warm en behaaglijk.
Dora vond het heerlijk dat ze nu een eigen huis had waarin ze kon doen en laten wat ze zelf wilde. Ze had altijd bij haar oude vader gewoond. Haar moeder was al overleden toen ze negen jaar was. Ze hield veel van haar vader, maar hij was nogal somber, waardoor het altijd een beetje beklemmend was om thuis te zijn. 
Nu had ze daar geen last meer van. Simon was precies de man van haar dromen. Hij was knap, speelde prachtig piano en hij was een kunstenaar. Hij schilderde en tekende al vanaf zijn tiende landschappen in de omgeving van Dordrecht en goed gelijkende portretten. Hij sprak haar gevoel voor romantiek aan.
Zijzelf hield van Franse chansons en musea. Het was eigenlijk wonderlijk dat ze zo graag een gezin wilde beginnen met Simon. Veel tijd om naar musea te gaan, had je dan niet meer. Misschien realiseerde ze zich dat nog niet zo goed. Of was haar biologische drang om kinderen te krijgen gewoon het sterkst, iets waarvoor al het andere moest wijken? Blijkbaar wel, want ze zou in de loop van de komende elf jaar vier kinderen baren, twee jongens en twee meisjes.

woensdag 3 juni 2015

Hoofdstuk 2 Moet je nou eens kijken! 
deel 5
(waarin Dora voor het eerst met Igor in de wandelwagen naar buiten gaat) 

Ze liep door de Vleeshouwerstraat en ging naar de Spar, de kruidenierswinkel met het motto: Kopen bij de Spar is sparen bij de koop. Ze had lucifers en een stuk zeep nodig.
De kruidenier begroette haar vriendelijk toen ze zijn winkel binnenkwam met de kinderwagen voor zich uit.
'Ah, mevrouw Florian,' zei de man terwijl hij zijn bril poetste. 'Is alles naar wens gegaan? En wat is het geworden?'
'Een jongen. Hij was heel ziek, bijna dood, maar hij heeft het gehaald, godzijdank.'
'Dat moet een zware tijd voor u zijn geweest, mevrouw. Kan ik iets voor u betekenen?'
'Ja, ik wou graag een pak lucifers en een stuk zeep.'
'Komt voor mekaar, mevrouw. Kijkt u eens aan, zwaluwen en zonlicht, wat wil een mens nog meer...'
Hij bedoelde de luciferdoosjes met de zwaluwen erop en de 'Sunlight'-zeep waarmee iedereen zich waste. Later werd dat Palmolive.
Dora rekende af en ging de straat weer op. De kruidenier hield de deur voor haar open, terwijl hij nog even in de kinderwagen keek. Igor was nog steeds diep in slaap. Dora benijdde hem een beetje. Zijn rust was onverstoorbaar.
'Wat een lief kind,' zei de kruidenier. 'Heerlijk om zo rustig door alles heen te kunnen slapen. Is alles nou goed met hem? Hij heeft een flink hoofd hè?'
'Ja, nu gaat het wel goed,' antwoordde Dora een beetje korzelig. 'Zoveel kinderen hebben grote hoofden, dat trekt wel bij als hij wat ouder wordt.'
'Tuurlijk mevrouwtje, u heeft helemaal gelijk,' zei de kruidenier meteen. 'Ik heb er ook niet zoveel verstand van, natuurlijk. Tot ziens, mevrouw Florian.'
De kruidenier en zijn vrouw waren altijd kinderloos gebleven, tot hun grote spijt.
'Tot ziens, meneer de Leeuw,' zei Dora, want zo heette de kruidenier.
De deurbel rinkelde en Dora stond weer in de frisse buitenlucht waar de zon nog steeds lekker scheen. Ze ademde diep in. Iedereen had wat op Igor aan te merken. Ze werd er doodmoe van en besloot terug naar huis te gaan. Vanmiddag kon ze wel wat groente halen. Ze had geen zin om nog meer boodschappen te doen. Dus liep ze terug door de Vleeshouwerstraat richting Lange IJzeren Brug en genoot weer van het rimpelende water dat daar onderdoor liep.
Als je dat water volgde naar rechts, kwam je bij het Groothoofd uit, de plek van Dordrecht waar drie grote rivieren samen kwamen, de Noord, de Maas en de Merwede. Je had een fantastisch uitzicht op uitgestrekt water, voorbijvarende schepen en enorme stukken blauwe of grijze luchten met langswaaiende wolken. 
Het weidse van die plek gaf de toeschouwer een avontuurlijk, grenzeloos gevoel. Je kreeg zin om de wereld te veroveren als je daar stond. Om je koffers te pakken. Om te gaan varen.
Dat had Simon, de man van Dora, misschien ook gevoeld tijdens zijn vele wandelingen over het Groothoofd waar hij vlakbij geboren was. Hij had zeeman willen worden, maar was niet aangenomen omdat hij een bril droeg. Een weinig 'weidse' reden die hem in één klap middenin de alledaagse werkelijkheid had doen belanden, met bril en al.
Maar om water te zien hoefden Simon en Dora niet speciaal helemaal naar het Groothoofd te lopen. Het water van de Nieuwe Haven bevond zich enkele meters van hun huis vandaan. Alleen de straat zat ertussen. Het was weliswaar geen wild stromend rivierwater, maar rustig, kabbelend binnenhavenwater had ook wel wat, vond Dora.
Ze duwde de kinderwagen voor zich uit en was blij dat ze hun huis weer zag. Het was een statig, wit huis met drie verdiepingen, brede, hoge ramen omlijst door chique, houten raamkozijnen, en er was een hoge, smalle voordeur met een koperen deurknop. 
Je zou denken dat Simon en Dora geld hadden om zo mooi te wonen. Het grachtenpand was echter aan Simon's moeder te danken. Die had na de dood van haar man, die een limonadefabriek runde, met hulp van een aantal notabelen in Dordrecht het huis kunnen kopen om er een pension in te gaan runnen. Ze moest 5 kinderen onderhouden in haar eentje. En dat was haar dankzij het pension goed gelukt. De kinderen groeiden op met altijd gasten aan tafel. Nu waren er al 3 dochters het huis uit. Overgebleven waren de 2 broers Pieter en Simon, die allebei met hun vrouw op de begane grond woonden. Op de eerste verdieping werd geslapen en waren er kamers voor hun kinderen. Hun moeder Josefien woonde op de zolderverdieping met balkon.
Als je de voordeur opende, kwam je in een lange, hoge gang. 
'Ik ben weer thuis,' riep Dora naar boven, en Josefien riep: 'Das goed, meisje!' 
Ze is vast aan het borduren, dacht Dora. Dat was één van haar hobbies.
Ze liep door de gang naar de achterkamer waar ze haar jas uitdeed en Igor voorzichtig uit de wandelwagen haalde. Hij sloeg z'n oogjes open. Z'n halfdichte Chinezen-oogjes die maar niet verder open wilden gaan. Dora gaf hem een kusje op z'n voorhoofd en zei:
'Hallo lieverd, daar zijn we weer. We waren buiten, maar daar heb je niet veel van gemerkt. Je hebt de hele tijd lekker geslapen.'
Igor kreunde even en trappelde met z'n beentjes, terwijl Dora hem op haar arm hield.
'Wat zullen we met jou doen? Zullen we je nog even in je bedje leggen?'
Igor zwaaide met z'n armpjes en lachte lief naar z'n moeder. Dat leek Dora een teken dat hij nog wel naar bed wilde. 
Ze liep de steile trap op naar boven en legde Igor in zijn bedje. Hij sliep snel weer in. Ongelofelijk hoeveel die babies kunnen slapen, dacht ze.
Ze liep zachtjes de kamer uit en trok de deur van Igor's kamertje achter zich dicht om naar beneden te gaan. 
'Is alles goed gegaan?' riep Josefien van boven.
'Ja hoor, ik heb hem net in bed gestopt, hij slaapt heel veel', antwoordde Dora op de overloop. 
'Ik ga zo thee zetten, kom je ook even?'
'Ja, dat is goed, tot zo,' galmde Josefien en daar ging Dora de steile trap af. Je moest altijd heel goed uitkijken waar je liep op die trap. Voordat je het wist, struikelde je en viel je naar beneden. En in de gang kon je een flinke smak maken op die koude, harde tegels. Dat was haar al verschillende malen overkomen. Maar nu ging alles goed. Ze liep snel naar de keuken en zette water op voor thee.



zondag 17 mei 2015

Hoofdstuk 2 Moet je nou eens kijken!
deel 4

'Moet je nou eens kijken!' riep een mevrouw op straat naar een andere mevrouw. Ze staarden zonder enige schaamte in een kinderwagen, waarin een klein kindje onder een wollen dekentje lag. De oogjes zaten nog halfdicht, het had opvallend grote oren en een groot, eivormig hoofd met hele dunne, lichtblonde haartjes erop. De vrouwen keken elkaar hoofdschuddend aan, zonder acht te slaan op de persoon die achter de kinderwagen liep. Dat was Dora Florian, die niet goed wist waar ze kijken moest bij zoveel ongevraagde belangstelling. Het was de eerste keer dat ze buiten wandelde met haar pasgeboren zoontje Igor.
Ze keek naar de vrouwen met een half verontschuldigende, half beschuldigende blik, maar durfde niets tegen ze te zeggen, ook al voelde ze zich aangevallen. Die vrouwen deden dat niet met opzet. Die wisten gewoon niet beter. Die hadden helemaal niet in de gaten hoe diep ze Dora kwetsten met hun opmerkingen en hun gestaar. Ze wierpen haar een paar medelijdende blikken toe en liepen daarna gezellig gearmd en druk met elkaar kletsend door, zonder verder nog iets tegen haar te zeggen.
Dora liep ook door. Het was een zonnige dag. Opgewekt was ze naar buiten gegaan, vol nieuwe energie na de bevalling van Igor en de moeilijke tijd daarna, toen Igor op het randje van de dood balanceerde. Wekenlang was hij ziek geweest. Niemand dacht dat hij het zou halen, maar hij was blijven leven en Dora was daar heel dankbaar voor. Dat kon niemand van haar af nemen.
'Waar bemoeit u zich mee!' had ze tegen die vrouwen moeten zeggen. 'Hoepel op en laat ons met rust!'
Het was toch haar kindje? Maar ze durfde nooit iets terug te zeggen. Dat was vroeger al zo, op school, als ze geplaagd werd. Gekke Dora, gekke Dora... Ze hoorde het gejouw van de kinderen nog in haar hoofd.
Ze duwde de kinderwagen voor zich uit, de Lange IJzeren Brug op. Het water van de Nieuwe Haven glinsterde schitterend in de warme ochtendzon. De vele kleurige bootjes lagen te dobberen in het water. Ze hield ervan daarnaar te kijken. Het was zo rustgevend en zo mooi. De brug ging steil omhoog en daarna meteen weer omlaag. Ze moest de kinderwagen goed vasthouden, om niet op een holletje naar beneden te glijden. Gek gezicht zou dat zijn. Ze moest even glimlachen bij die gedachte. Igor bleef diep in slaap verzonken.
Slaap jij maar, lieve schat, rust maar lekker uit van alles, mamma zorgt wel voor je, dacht Dora vertederd. Igor was haar eerste kindje en ze was er zo blij mee als iemand maar kon zijn.


dinsdag 12 mei 2015

Hoofdstuk 1 Igor 
deel 3

Er reden een heleboel andere auto's op de weg. Soms zag ik net zo'n auto als die van ons. Dan tikte ik pappa en mamma op hun schouder en wees ik juichend op het autootje dat ons net passeerde. Zij knikten dan en zeiden dat het inderdaad dezelfde auto was en dat het heel goed van mij was dat ik dat gezien had. Zo geweldig was dat natuurlijk niet van mij, maar het was mijn enige manier om af en toe wat contact te maken. Je gaat je al gauw een beetje vreemd gedragen, als je niet kunt praten. Ik vind het zelf helemaal niet leuk dat er altijd zo'n sirene-achtig geloei uit mijn mond komt, maar ik kan er niets aan doen. Mijn volume staat gewoon zo afgesteld.

We reden nog wat autowegen over, er kwam geen eind aan. De auto ging uiteindelijk langzamer rijden bij het naderen van een bord aan de rechterkant van de weg.
'Dit was het toch, hè?' vroeg pappa aan mamma.
'Ja,' zei ze. 'Hier is het.'
Wat 'hier' was, wist ik niet, maar ik werd een beetje ongerust toen we langzaam een bocht naar rechts maakten. We reden heel langzaam verder. Links en rechts stonden woonhuizen en daar tussen was veel groen. Af en toe passeerden we groepjes jongens en meisjes die zomaar midden op de weg liepen. Dat zag je in de stad nooit. Was veel te gevaarlijk met al die auto's. Wat was dit voor plaats? Sommige kinderen liepen zomaar recht op onze auto af en zwaaiden dan vrolijk naar ons. Daarom reden ze zo langzaam, zei mamma.
'Stapvoets', zei ze.
Een jongen vertelde pappa door het open raampje precies hoe hij moest rijden.
'Leuk autootje hebt u, zeg!' zei hij ook nog.
Ik vond hem wel een beetje brutaal, maar ik was ook jaloers op hem, omdat hij gewoon kon praten tegen pappa. En pappa lachte zo aardig naar hem. We stopten bij een huis met twee verdiepingen waarop met grote letters 'M-E-R-E-L' stond. Ik kon de letters lezen, maar wist niet wat ze betekenden. We stapten uit de auto. Pappa belde aan. Een onbekende mevrouw deed open. Ze schudde handen met pappa en mamma en zei dat ze 'Lia' heette. Ze gaf mij ook een hand en vroeg hoe ik heette.
'Euh', zei ik terug en ze lachte vriendelijk naar me.
'Jij heet Igor, hè?' vroeg ze aan me.
Ik knikte stom. Wat moest ik anders doen? Maar hoe wist ze dat eigenlijk?
We liepen naar binnen en kwamen in een soort woonkamer met een heleboel tafels en stoelen. Daarin zaten allerlei jongens niets te doen. Eén jongen had haast geen armen of benen. Een andere jongen maakte de hele tijd schokkende bewegingen met zijn mond en zijn handen. Er liepen ook jongens heen en weer, steeds langs dezelfde weg, net als de leeuwen en de tijgers in de dierentuin. Eén jongen pakte Laura's handje vast en gaf er een kusje op. Dat vond ik heel lief van hem. Laura is zo lief...
We gingen zitten. Pappa en mamma zaten te praten met 'Lia' en nog een vreemde mevrouw. Toen mamma opstond, ging ik ook meteen staan om mee te gaan. Ik wilde wel weg daar. Maar mamma zei dat ik moest blijven. Ik begreep het niet. Blijven? Hier? Tussen al die vreemde jongens  
en mevrouwen die ik niet kende? Niet mee terug naar huis?
De mevrouwen kwamen naar me toe met kleurpotloden en boekjes. Mamma liep naar pappa die zijn armen om haar heen sloeg. Ik liep naar ze toe en hield mamma's benen vast. Ze mocht niet weggaan en mij hier achterlaten. Mamma streelde mijn haar en glimlachte naar me.
'Pappa en mamma gaan nu naar huis, maar we komen je gauw weer halen, hoor. Zal je lief zijn voor deze aardige mevrouwen?'
Ik knikte van ja. Wat moest ik anders?
Mamma omhelsde me met veel tranen die uit haar ogen gleden. Pappa aaide me over mijn hoofd en zei:
'Tot ziens, lieve jongen.'
Laura en Paula keken me alleen met grote ogen aan. Ze snapten er niks van, net als ik. Opeens waren ze alle vier weg en namen de mevrouwen me mee naar de voordeur.
Daar zag ik nog net de lelijke eend een bocht maken en wegrijden. Ze zwaaiden naar mij. Pappa toeterde nog en toen was het voorbij. Ik moest erg huilen. Mijn leven zag er opeens zwart en leeg uit. De vriendelijke mevrouwen snoten mijn neus en gaven me in de keuken een glaasje limonade. 
Zo begon mijn eerste dag in de inrichting.






zaterdag 9 mei 2015

Hoofdstuk 1 Igor
deel 2

Kinderen deden dat ook, maar die kon ik het niet kwalijk nemen. Die wisten niet beter. Maar die grote mensen hadden toch kunnen weten hoe kwetsend het voor iemand is om zo bekeken te worden.
Hier in de inrichting heb ik daar gelukkig nooit last van. Hier heeft iedereen zijn eigen afwijkingen en wordt er niet zo op je gelet. Wat dat betreft is het veel beter voor mij om hier te wonen. Maar toen ik uit huis moest, vond ik het afschuwelijk. Ik voelde me helemaal verstoten door mamma, pappa, Laura en Paula, mijn twee kleine zusjes. Ik hield heel veel van hen en zij ook van mij. Daarom snapte ik niet dat ik weg moest.
Ik zat op school en leerde daar schrijven en lezen. Ik schreef hele schriften vol met letters. Een hele bladzij met de a, een heel blad vol met b's en zo ging ik alle letters af. Ik vond het leuk om ze zo goed mogelijk na te tekenen. Ik hield van tekenen. Of ik ooit echt had leren lezen, weet ik niet, want opeens ging ik van school af. Ik kon alleen nog maar kleine woordjes lezen.
Ik was al een paar keer thuisgebracht door een aardige politieagent in een snelle auto, toen ik er weer op de step vandoor was gegaan. En ik was een keer aangereden door een motor, toen ik zonder te kijken de straat waarin ik woonde, was overgestoken. Dat moet je nooit doen natuurlijk. 
Ik had een dikke enkel met een akelige wond waar allemaal bloed uit kwam. Het deed veel pijn. Mamma was erg geschrokken, zag ik. Ze keek heel bezorgd. Ik wilde haar troosten, maar ze ging opeens gillen en schreeuwen. Niet naar mij, maar naar het plafond van onze huiskamer. Ik werd er bang van. Wat moest ik doen? Er was verder niemand die kon helpen. Ik bleef dus maar zo stil mogelijk op de bank zitten. Ik kon trouwens niet eens op die voet staan. Mamma  hield langzamerhand op met gillen en zei tegen me dat ze verband ging pakken. Ze wikkelde mijn voet helemaal in mooi wit verbandgaas. Ik was er heel trots op. Moest er steeds naar kijken. Het deed nog pijn, maar dat was wel uit te houden.
Ik kon een paar dagen niet naar school. Erg vond ik dat niet. Ik vond het heerlijk om thuis bij mamma te zijn. Het liefst hielp ik haar met het huishouden, maar nu moest ik stil blijven zitten met mijn voet. Moeilijk vond ik dat. Ik kreeg van mamma een stapel tijdschriften en een schaar. Dan kon ik leuke plaatjes uitknippen. Van auto's bijvoorbeeld. Pappa, mijn vader, had net een auto gekocht in die tijd. Die noemden ze een lelijke eend, maar wij vonden hem allemaal juist heel mooi. Foto's van baby's en kleine kinderen knipte ik ook uit. Ik was gek op mijn kleine zusjes Laura en Paula. Ik hield ook van strijkplanken, fornuizen en fluitketels, ik hield van alles wat met het huishouden te maken had en met eten en drinken. Dat doe ik nu nog. Ik heb er alleen nu veel meer handigheid in gekregen. Toen ik klein was, liet ik vaak iets kapot vallen als ik mamma hielp met afdrogen. Nu doe ik alles veel rustiger. Ik ben ten slotte al vijf en veertig!
Toen mijn voet beter was en ik er weer op mocht staan en mee kon lopen, ging ik nog een poosje naar school, maar op een dag gingen we in de eend rijden. Pappa, mamma, Laura, Paula en ik. Het werd een lange tocht. Eerst reden we de stad uit, door lange straten vol huizen met rode daken en kleine voortuintjes. Daarna kwamen we op een eentonige weg met grijze huizen aan beide kanten die er allemaal hetzelfde uitzagen, met grijze daken, grijze stenen, grijze deuren en grijze ramen. Mamma zei dat daarin militairen met hun gezinnen woonden. Laura zei dat het wel gevangenissen leken. Ik had medelijden met de mensen in die huizen. De weilanden erna waren heel wat mooier om naar te kijken.

vrijdag 8 mei 2015

Moet je nou eens kijken!

In augustus 1995 legde ik de laatste hand aan een korte roman over mijn broer Rogier. 112 pagina's telt het manuscript, wat ik toen nog op een kleine Apple Classic computer uittypte. Ik liet het aan mijn familie en naaste vrienden lezen en ook aan Rogier's verzorgers. De reacties waren positief. Er waren zelfs mensen bij die het ontroerend vonden. Ook stuurde ik het naar een uitgeverij, welke weet ik niet meer, maar na een eerste afwijzing had ik niet de moed om door te gaan met versturen.
Ik heb het onlangs weer gelezen en kreeg het idee om het hier op internet te zetten door middel van een blog. Op die manier kunnen meer mensen het lezen en kan ik het herschrijven waar ik dat nodig vind.

Moet je nou eens kijken!

Voor Rogier


 
Hoofdstuk 1 Igor 

deel 1

Ik heb nooit kunnen praten en dat zal ik ook nooit kunnen. Voor een mens is dat heel vreemd, want de meeste mensen kunnen wel praten. Dat zie ik dagelijks om mij heen. Waarom ik het niet kan, weet ik niet precies. Ik heb wel eens iemand horen zeggen dat ik een hersenbeschadiging heb, maar dat zegt me niet zoveel.

Ik kan ook niet lezen en schrijven. Ik heb er wel les in gehad, maar ik kan niet zo lang met hetzelfde bezig zijn. De enige manier waarop ik iets kan vertellen, is door geluiden te maken, dingen aan te wijzen en mensen aan te raken als ik ze lief vind. De geluiden die ik maak, klinken vaak heel hard, een beetje zoals een brandweersirene. Dat komt omdat ik meestal heel enthousiast ben als ik geluid maak. Mensen die mij nog niet kennen, schrikken daar in het begin van, maar ze wennen er gauw aan.
Niet iedereen snapt altijd wat ik wil zeggen. Dat is soms heel lastig. Ik heb wel gebarentaal geleerd, maar dat durf ik alleen als ik met mamma samen ben. Niet als er meer mensen bij zijn. Dan word ik verlegen. Ik vind het niet prettig als er naar me gekeken wordt. Ze lachen je hier zo uit, als je niet uitkijkt. Ze zijn echt niet allemaal even aardig hier, hoor!
De meeste jongens kunnen wel praten. Niet dat het altijd zo bijzonder is wat er uit hun mond komt! Ik denk vaak dat ik heel wat meer te vertellen zou hebben dan zij, als ik kon praten. Je hebt erbij, die zitten alleen maar onzin te kletsen. Of ze herhalen alles steeds maar weer. Gek word je er soms van. Met die praatjes hoef ik tenminste niet mee te doen. Dat is een voordeel als je niet kunt praten. En als ik ergens geen zin in heb, doe ik vaak alsof ik iets niet hoor of begrijp. Ook heel handig!
Ik ben nu vijf en veertig. Op mijn elfde ben ik door mijn ouders definitief naar een inrichting gebracht. aha werd te lastig om mij thuis te hebben. Ik liep vaak weg. Dan pakte ik de step van mijn kleine zusje en stepte ik de hele straat uit. Heerlijk vond ik dat. Het was een hele lange straat met overal huizen. Ik dacht er niet bij na dat mijn moeder ongerust zou worden. Ik stepte helemaal naar een straat waar gebouwd werd. Daar kon ik uren naar kijken. Er waren altijd mensen die vroegen waar ik woonde. Soms kreeg ik een snoepje van iemand. Het enige vervelende was dat er altijd mensen naar me stonden te staren, zonder iets te zeggen. Ze keken alleen maar, alsof ze zeggen wilden: 'Wat ben jij voor raar type!'
Als ze samen waren, stootten ze elkaar aan en begonnen ze te fluisteren. Ze dachten zeker dat ik ze niet in de gaten had, maar ik zie alles, ook al zitten mijn ogen half dicht, alsof ik een Chinees ben.